Grondwater(kwaliteits)beheer door waterschappen. Een vergelijkend onderzoek

1 maart 2021


> Download pdf

In opdracht van het Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond + de Unie van Waterschappen

Waterschappen zijn de regionale watersysteembeheerders van Nederland. Tot het watersysteem behoren naast de keringen, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden, zeker ook de 23 te onderscheiden grondwaterlichamen. Bij acht waterschappen, de Unie van Waterschappen (UvW), STOWA en het Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond (UP, opdrachtgever voor het voorliggende onderzoek) is onderzocht hoe de waterschappen opereren op het terrein van het grondwaterbeheer (nu en onder de Omgevingswet), in het bijzonder het grondwaterkwaliteitsbeheer. Door middel van interviews is een beeld verkregen van:

1. de grondwaternetwerken/-overleggen waaraan wordt deelgenomen;

2. het grondwaterbeleid van de waterschappen en de daaruit voortkomende grondwatermaatregelen, zowel in de huidige als de toekomstige planperiode (waterbeheerplannen respectievelijk waterbeheerprogramma’s);

3. de rol die het UP, de UvW en de STOWA hierbij (kunnen) vervullen;

4. de kennisbehoefte op het gebied van grondwater.

Wat de Omgevingswet betreft, is hier van belang dat het bodembeleid en de bodemwet- en regelgeving nogal gaan wijzigen. Dit heeft met name gevolgen voor het grondwaterkwaliteitsbeheer.

Belangrijkste conclusies onderzoek

1. De aandacht voor grondwater en zeker grondwaterkwaliteit is binnen de meeste waterschappen relatief laag, vergeleken met onderwerpen als waterveiligheid en oppervlaktewaterkwaliteit. Grondwaterkwaliteit wordt niet door elk waterschap als kerntaak beschouwd; er wordt hiervoor hoofdzakelijk naar de provincies gekeken. Illustratief is dat het gemiddelde waterschap slechts enkele ‘grondwater-fte’s’ binnen de muren heeft. Er is een grote discrepantie tussen het belang van grondwater enerzijds en de aandacht en middelen hiervoor anderzijds.

2. Onder invloed van verschillende maatschappelijke opgaven/vraagstukken èn de Omgevingswet, neemt de aandacht voor grondwater wel toe. Maar hoofdzakelijk voor kwantiteitsvraagstukken (zoals droogte, verdroging, ondergronds ruimtegebruik en bodemdaling). De in kaart gebrachte netwerkstructuren, die vooral regionaal zijn georganiseerd, wijzen ook in die richting.

3. De Omgevingswet zal de samenwerking en afstemming op het terrein van grondwaterkwaliteit verder beïnvloeden, maar hoe is overwegend onzeker. Er is veel onduidelijkheid over de gevolgen van het nieuwe bodembeleid en de betekenis daarvan voor waterschappen. Waar waterschappen veel kennis hebben op het gebied van grondwaterkwantiteit, is die voor grondwaterkwaliteit beduidend lager (een paar uitzonderingen daargelaten). Gevraagd naar de concrete kennisbehoefte, levert dit onderwerpen op waar de UvW, STOWA en de opvolger van het UP een rol kunnen spelen:

▪ hulpmiddelen, waaronder kaders voor de beoordeling van grondwaterkwaliteitsvragen (à la beoordelingskaders voor het kwantiteitsbeheer).

▪ meer kennis over onderwerpen als de vergrijzing van de grondwaterkwaliteit, effecten van de energietransitie op de grondwaterkwaliteit en het effect van klimaatverandering c.q. grootschalige infiltraties van diverse soorten water in de bodem.

▪ ‘verbinders’ tussen de maatschappelijke opgaven èn de eigen taken en belangen. Hierbij is gepleit voor een betere verbinding tussen regionale en nationale kennis.

4. De in ontwikkeling zijnde waterbeheerprogramma’s kennen vooralsnog geen beleid en maatregelen op het gebied van de grondwaterkwaliteit. Meer algemeen is men hier in afwachting van de inhoud van de regionale waterprogramma’s van de provincies. De meningen verschillen of en zo ja, in hoeverre waterschappen grondwaterkwaliteitsmaatregelen zouden moeten nemen.

5. Waterschappen vragen de UvW om een nationale (basis)visie op het grondwaterbeheer. Hierbij moet rekening worden gehouden met de regionale verschillen tussen waterschappen.